Ter nagedachtenis van Admira Ismic en Bosko Brckik

 

"Aan de oever van de Miljacka, de rivier die Sarajevo opdeelt in Servisch en Bosnisch territorium, liggen twee verstrengelde lichamen. Twee geliefden die werden neergemaaid door een anonieme schutter. Al vier dagen liggen ze daar bevroren in een laatste omhelzing, in een niemandsland dat verwoest is door mortierinslagen, vlakbij de brug van Vrbana. Deze zone is zo gevaarlijk dat niemand de twee lijken durft te gaan halen. Bosko Brckik en Admira Ismic werden woensdag gedood. Hij was een ServiŽr, zij was Moslim. Ze waren vijfentwintig jaar oud en probeerden ServiŽ te bereiken. "Ze werden tegelijkertijd neergeschoten, maar hij viel onmiddellijk neer, terwijl zij nog leefde", vertelt Dino, een soldaat, machteloze getuige van het drama, vanachter de zandzakken van zijn schuilplaats. "Ze kroop naar hem toe en nam hem in haar armen. Zo zijn zij gestorven, in een omarming", zegt hij, wijzend naar de twee lichamen tussen het puin van veertien maanden oorlog. Bosko ligt met zijn gezicht tegen de grond, de rechterarm verwrongen en naar achteren geworpen. Admira ligt naast hem, haar linkerarm om zijn rug geklemd".

Kurt Schork, Le Monde, 26 mei 1993, p. 4